Categorie: Gedichten

Druiven en de dood

druiven 1 juli
In memoriam Cees L. (overleden in november 1988)


De dagen zijn als droesem van de tijd
in deze maand waarin een vriend moest sterven.
De glazen geuren droefenis en spijt
om wie te vroeg het levenslicht moest derven.

Geen heildronk wist zijn adem te verlengen,
de fles met zijn bericht werd niet uit zee gevist.
Het goede vocht dat ik met hem mocht plengen
heeft niet de pijn van zijn gezicht gewist.

O kon ik nog maar één keer met hem klinken:
ik schonk hem liever wijn dan dit gedicht.

Baudelaire en Vroege vogels

Baudelaire

Er zijn dichters die niet van de natuur houden. Zoals de eerste ‘stadsdichter’ in de moderne poëzie,  de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867). Van zijn enige dichtbundel Les Fleurs du Mal (De bloemen van het kwaad) uit 1857 kregen we in 1995 zomaar ineens twee prachtige, maar zeer verschillende Nederlandse vertalingen in de schoot geworpen, door Petrus Hoosemans en Peter Verstegen.

Baudelaire had dus niets met de natuur en verkoos de door mensenhand getemde natuur van het park boven de wilde natuur, die hem doelloos en saai voorkwam. Lees wat hij in 1855 (!) aan een bevriende dichter Fernand Desnoyers schreef:
U vraagt mij om gedichten voor uw boekje, gedichten over de Natuur, nietwaar? over het bos, grote eiken, struweel, insecten –  over de zon, vermoed ik? Maar u weet toch dat ik niet in staat ben tot mooie gevoelens met betrekking tot planten, en dat mijn ziel zich verzet tegen die merkwaardige nieuwe Religie, die altijd, lijkt mij, voor elk spiritueel wezen enigszins shocking moet zijn. Ik zal nooit geloven dat de ziel der Goden in planten huist, en als dat toch het geval mocht zijn, zou ik mij daar maar matig druk om maken, en ik zou mijn eigen ziel heel wat hoger aanslaan dan die van de heilig verklaarde groenten. Ik heb zelfs altijd gedacht dat er in de Natuur iets droevigs was, iets hards en wreeds, dat springlevend is en welig tiert, -iets onbestemds, dat raakt aan schaamteloosheid.” (Vertaling Truus Boot en Nelleke van Maaren, 1992)

Ondanks mijn bewondering voor Baudelaire houd ik van natuurlyriek. Ik beoefen het genre zelf bij tijden ook graag. De grote en kleine wonderen van de natuur boeien, ja verrukken me. Tegelijkertijd vormt de complexe relatie van de mens met de natuur ook een bron van verwondering, vermaak en spot, zoals in dit gedicht van mij:

BERICHTEN VOOR VROEGE VOGELS

Overbeplanting in de bebouwde kom
is een gevaar voor mensen met een goede smaak.

Het verlies aan soorten in de vrije natuur
kan tot zeer ernstige depressies leiden.

Wie met zwakke luchtwegen kampt
dient adembenemende uitzichten te vermijden.

Het benaderen van donkere bosranden
wordt zwangere vrouwen met klem ontraden.

’t Kriepen van de mussen

Hartslagen van de mus

Van een roman of interview blijft soms maar één zin in je geheugen hangen, maar dan ook levenslang. Zo herinner ik mij een passage uit een interview, lang geleden opgetekend door de legendarische Vrij Nederland-journaliste Bibeb, waarin de tekenaar Peter Vos lyrisch uitweidde over de schoonheid van de bewegingen van mussen. Dit in tegenstelling tot het in zijn ogen plompe mechanische geschutter dat bij duiven voor lopen moet doorgaan.

Mussen spelen een belangrijke rol in de literatuur. Denk aan het beroemde gedicht De Mus van Jan Hanlo (te vinden in zijn Verzamelde Gedichten, een Van Oorschot-uitgave die bij elke Nederlandstalige poëzieliefhebber in de boekenkast dient te staan), of aan het werk van Guido Gezelle. De slotregel van diens gedicht Winterstilte vormt de titel van dit stukje. Mussen figureren ook in de titel van een van Joke van Leeuwens dichtbundel, Wuif de mussen uit.

En dan zijn er dus de talloze tekeningen van mussen en andere vogels van Peter Vos. (We prijzen ons gelukkig met het bezit van zijn prachtig etsje van een ‘Seraf’ uit 1969,  een kruising van een giraf en een engel, ook erg boeiende schepselen.) Ooit zag ik in de miljoenenstad Moskou een erg geanimeerde mus bezig in de buurt van het Kremlin. Het gedicht dat ik hierover schreef verscheen op 3 september 2000 in de Meanderkrant op Zondag, toen poëzie op internet nog een zeldzame en sobere aangelegenheid was.

MUS

Wat doet een mus in Moskou
op het grote Rode Plein?

Om dat te weten, hoef je
geen Russofiel te zijn:

hij tjilpt er, net als elders,
zijn Mussische refrein!

PS:
Voor een weergave op schrift

moet je bij Hanlo zijn.