Nacht in Oostende

Schilderij Léon Spilliaert

‘Het wreed gekrijs van de meeuwen’.
Zo de grote dichter Hugo Claus
in zijn ode aan Oostende.

Wij kunnen zijn beeldspraak slechts beamen,
vergeefs pogend de slaap te vatten,
in onze benauwde hotelkamer.

Maar meeuwen horen bij de zee,
dus zitten wij er niet mee
en liggen lijdzaam wakker in de nacht.

Afscheid van Floris van Rosemondt

(Foto Eric Koch/Anefo 1968)

Twintig jaar was ik,
Met lang blond haar
Om het smalle hoofd.

Floris! Floris!
Riepen kinderen soms
Op straat naar mij.

Ik bezat zwaard noch paard,
Maar schreef gedichten,
Vol onbestemd lief en leed.

Nu is Floris dus niet meer.
Ik schrijf nog steeds gedichten
En heb nog wat grijsblond haar.

Geen kind verwart mij meer met
De koene ridder van het zwart-witte scherm.
Voor eeuwig blijft hij voor ons draven.

Op mijn 21-ste verjaardag (1970)

 

Onweer

Begon het te onweren
Op een van die benauwde julidagen,

Kropen we als kind onder de tafel
Met de veilig overhangende tafelsprei,

Terwijl moeder met palmtak en wijwater
Het hele huis rondging om alle kamers te zegenen.

We telden de tijd tussen bliksemflits en donderslag
Om de afstand tot het gevaar te meten.

Was het onweer eenmaal voorbij, voelde het
Alsof de hemel zich weer verzoend had met de aarde.

De lucht was gezuiverd, de angst verdwenen.
We ademden vrij.