Lief en leed

Ik ben de gelukkige eigenaar van twee antiquarische bundels met ‘liedjes, wijzen en prentjes’ door J.H. (Koos) Speenhoff, die zeker een eeuw oud zijn. Veel van zijn teksten zijn nog steeds erg geestig en actueel, als je niet te zwaar tilt aan het tamelijk reactionaire karakter van zijn tirades tegen moderniteiten als het vegetarisme en het verschijnsel der ‘vrije vrouwen’. Maar de grootste verrassing vormen wel de artistieke, ragfijne en soms nog heel modern aandoende tekeningen waarmee de dichter-zanger zijn liedteksten illustreerde in deze bij W.L. Brusse te Rotterdam verschenen uitgaven, ‘met piano-begeleidingen door Johan Schmier’ (zou daar het woord schmieren van afstammen?) Die ‘prentjes’ zouden op zich een facsimile heruitgave van de boekjes rechtvaardigen. Misschien dat ik er nog eens een aantal scan, maar vandaag beperk ik mij tot enkele leuke strofen uit twee van zijn liedteksten.


De liefde is de grootste straf,
Die God ons heeft gegeven,
Maar die niet weet wat liefde is,
Heeft nooit iets aan zijn leven.

De liefde maakt ons allen dol,
We vechten om elkander,
En als we moe van ’t vechten zijn,
Dan nemen we een ander.

(Uit het ‘minneliedje’ DE LIEFDE)

Vegetariërs zijn menschen,
Die de menschen anders wenschen,
Daarom eten zij zij slechts planten,
Net als groote olifanten;
Ze zijn bang voor dooie koeien,
Want die kunnen niet meer loeien.
Beesten doden om te eten,
Noemen ze van God vergeten.
’t Is zoo deftig en zoo fijn
Vegetariër te zijn!

Vegetariërs zijn lieden,
Die een ander wat verbieden,
Vegetariërs zijn poppen,
Die zich vol principes proppen.
Ze zijn bang voor bitterneuzen,
Soberheid is hunne leuze,
’t Zal nog zoover met ze komen,
Dat ze nest’len in de boomen,
Dat ze doode blaren eten,
Voor de rust van hun geweten.
t Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër te zijn.

Dit grappige staaltje demonisering is uit het spotlied DE VEGETARIËRS van Koos Speenhoff. Wie denkt hierbij niet spontaan aan Maarten ’t Hart?

Het geitenweitje

 

0ECA56F2-2639-4631-872F-7C859B21BA36

Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de grote geit.
Geiteke, wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zo klaaglijk schreit?

Met je bleke bekje?
Geiteke, wat rek je,
Trek je aan het touw?
Snuffende aan de mouwen….
Met je lief vertrouwen
In zo’n vreemde vrouw!

In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje:
Zeg, wat moet ik doen?….
Op het geitenweitje
Staat het witte geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.

Jacqueline E. van der Waals

IMG_2231

Gebed van een dichter, Charles Baudelaire (vertaling)

Charles Baudelaire 1855 Nadar

Et vous, Seigneur mon Dieu
accordez-moi la grace
de produire quelques beaux vers
qui me prouvent à moi-même
que je ne suis pas le dernier des hommes,
que je ne suis pas inférieur
à ceux que je méprise!
En U, Heer mijn God!
schenk mij de genade
een paar mooie gedichten te schrijven
waarmee ik mezelf bewijs,
dat ik niet de gemeenste kerel ben
die op deze wereld rondloopt
en dat ik niet minder ben
dan degenen op wie ik neerkijk!
(Eigen vertaling)