Trees (Bomen), Joyce Kilmer

I think that I shall never see
A poem lovely as a tree.

A tree whose hungry mouth is prest
Against the earth’s sweet flowing breast;

A tree that looks at God all day,
And lifts her leafy arms to pray;

A tree that may in Summer wear
A nest of robins in her hair;

Upon whose bosom snow has lain;
Who intimately lives with rain;

Poems are made by fools like me,
But only God can make a tree.

Joyce Kilmer

Ik weet geen gedicht, zelfs niet als ik droom
Dat zo prachtig is als een boom.

Bomen lessen zo gretig hun dorst
Aan Moeder aarde’s gulle borst;

De ganse dag staan ze de Heer te loven,
Met hun armen vol bladeren gestrekt naar boven;

Boomkruinen willen op  zomerdagen
Graag een nestje roodborstjes dragen;

Een boom torst evengoed een sneeuwen gewaad
Als dat hij zich eens lekker natregenen laat.

Ik maak gedichten, zoals menig andere zot,
Maar bomen zijn een schepping van God.


(Eigen vertaling uit het Engels)